Toon kaart
Menu
Stories

Museumvisie Kim Tuin

Onlangs stond Kim Tuin, directeur Stichting NDSM-werf met een interview in de Museumvisie. Lees hier het complete artikel.

‘DEZE PLEK KAN EEN BESTEMMING WORDEN VOOR MUSEA’

KIM TUIN ORGANISEERDE SPRAAKMAKENDE EXPOSITIES IN CLUB TROUW AMSTERDAM EN SLAAT ALS DIRECTEUR VAN DE NDSM-WERF OPNIEUW DE HANDEN INEEN MET MUSEA EN KUNSTENAARS

Twintig jaar geleden richtte zij een van de eerste boekingskantoren voor deejays in Nederland op. Kim Tuin was toen al agent voor DJ Dimitri, inmiddels een icoon van de internationale dancescene. In 2011 werd ze daarnaast directeur van Trouw Amsterdam, een tijdelijke club in het voormalige pand van dagblad Trouw, waarvoor ze onder de naam De Verdieping een vernieuwend cultureel programma ontwikkelde. Tuin ging samenwerkingen aan met onder andere het Stedelijk Museum Amsterdam en Palais de Tokyo in Parijs. Ze werd voor haar werk genomineerd voor de Amsterdamprijs voor de Kunst. Trouw Amsterdam sloot begin 2015 definitief zijn deuren. Niet lang daarna werd Tuin directeur van Stichting NDSM-werf in Amsterdam. Ook voor de ontwikkeling en positionering van deze creatieve broedplaats wil ze intensief samenwerken met musea en kunstenaars.

MV1601_C1_Cover_hr (002)

Hoe kwam je op het idee om moderne kunst te exposeren in Trouw Amsterdam?
‘Het gebouw leende zich er bijzonder goed voor. De eerste keer dat ik de ruimtes in de kelder van het pand binnenliep, kreeg ik kippenvel. Ze waren groot, rauw en heel on-Amsterdams. We konden er niet veel mee voor de club vanwege de akoestiek, maar ik zag meteen mogelijkheden voor spannende kunst. Er was ook een andere reden. Trouw programmeerde muziek op hoog niveau en genoot daarmee internationale bekendheid. We kenden al veel kunstenaars, zoals Meeus van Dis en Children of the Light, die tijdens clubavonden lichtshows mengden op de dansvloer. Het leek mij een interessante stap om ook hoogwaardige kunst te gaan programmeren. En toen las ik in de krant dat het Stedelijk Museum Amsterdam dicht ging vanwege een ingrijpende verbouwing. Ik heb de week erop gebeld en een paar dagen later zaten ze bij ons op de bank. Alles klopte.’

Wat wilde je met het exposeren van kunst in een club bereiken?
‘Er kwamen duizenden mensen naar Trouw en in mijn ogen waren dat allemaal potentiële kunstliefhebbers. Het waren twintigers die van muziek hielden, die niet meer verplicht voor school of met hun ouders naar een museum hoefden en dat waarschijnlijk ook niet vaak meer deden. Als twintiger heb je weinig geld. Dus moet je keuzes maken. Je wilt je vriendenkring opbouwen en de liefde van je leven vinden. Jongeren gaan daarom eerder naar een club dan naar een museum. Ik wilde kunst naar hun natuurlijke habitat brengen, zodat ze er random tegenaan zouden lopen tijdens een avond uit met vrienden en met een biertje op. In die eerste fase van Stedelijk@Trouw heb ik een onderzoek laten doen. Daaruit bleek dat tweederde van onze bezoekers zich inderdaad niet met kunst bezighield. Een groot gedeelte kwam er alleen bij ons mee in aanraking.’

Hoe reageerde het publiek?
‘Co-curator Bart Rutten en ik gingen regelmatig op een bank zitten in de gang waar de expositieruimtes op uitkwamen. Het kwam vaak voor dat iemand in zijn eentje door de gangen dwaalde, de grote ruimtes in liep, weer wegging en even later terugkwam met zes vrienden. Dat zullen ze niet vaak doen bij een museum. Door de tentoonstellingen in Trouw hebben veel jongeren toch maar mooi kennis gemaakt met Tracey Emin en Jeremy Shaw, of met Rineke Dijkstra in de rokersruimte. Die namen gaan ze later in hun leven weer tegenkomen. Daar word ik blij van. Het spanningsveld tussen het nachtleven en kunst is heel interessant; dat zit ’m in de vrijheid die je in een museum niet vindt.’

Niet lang daarna ben je samenwerkingen aangegaan met buitenlandse musea.
‘Onder de naam Trouw Invites… hebben we drie musea uit drie verschillende steden gevraagd om speciaal voor onze kelderruimte een tentoonstelling te maken. Mensen stonden in die tijd huilend bij de dj-booth omdat Trouw een jaar later dicht zou gaan. Ik begon daardoor na te denken over de verschillende “levenstrappen” die je als mens doorloopt. Onze maatschappij is enorm ingericht op pieken. We moeten allemaal op hoog niveau presteren en jong blijven. Maar de trap naar beneden is van minstens zo’n grote betekenis. Vergankelijkheid is een heel interessant gegeven. Dat heb ik aan de kunstenaars meegegeven als opdracht: jullie kunnen het publiek laten ervaren hoe mooi vergankelijkheid eigenlijk is. Uit tijdelijkheid komen spannende dingen voort.’

Palais de Tokyo was de eerste in de serie. Een bewuste keuze?
‘Ik wilde heel graag met Palais de Tokyo samenwerken. Wat daar gebeurt, voltrekt zich aan de rafelranden van de stad, net als bij Trouw en nu ook NDSM. Het is in eerste instantie een kunstinstelling, maar er worden ook feesten gegeven. Ik voelde heel duidelijk een connectie. Directeur Jean de Loisy vond het een interessant idee om in Trouw iets te doen en kwam naar Amsterdam. ‘Jullie hebben het publiek dat wij graag zouden hebben’, zei hij. Palais de Tokyo nodigde kunstenaar Fouad Bouchoucha uit. Fouads installatie bestond uit een balkon in een pikdonkere en mistige ruimte. Terwijl je daar in het duister stond, hoorde je opeens een enorm harde knal. Dat schrikeffect bleek bijzondere herinneringen op te roepen. Mensen beleefden momenten dat ze aan het skiën waren of op een boot zaten. Veel herinneringen gingen over reizen. Voor het evenement met het New Museum was er een live verbinding met een feest in New York – alsof je een tijdreis maakte. Het was echt belevingskunst.’

Na Trouw werd je adviseur voor het Stadsarchief Amsterdam. Wat heb je daar gedaan?
‘Dat was een eenmalige opdracht. Ik heb onderzoek gedaan naar de inrichting van de expositieruimte en heb gekeken of de publieke ruimtes van het Stadsarchief wel werkelijk publiek waren. Oorspronkelijk diende het gebouw als hoofdkantoor van de Nederlandsche Handel-Maatschappij en het is jaren in gebruik geweest als bank. Het is een pand met een zeer gesloten karakter, maar het is nu juist de bedoeling dat er veel mensen naartoe komen. Er is met de renovatie van een paar jaar geleden wel geprobeerd meer openheid te creëren, maar dat is mislukt. Je ziet vanaf de straat nauwelijks wat er in het gebouw gebeurt.’

Hoe kun je een gebouw als het Stadsarchief aantrekkelijker maken voor het publiek?
‘Er zou veel meer kunnen gebeuren in de publieke ruimtes. De winkelruimtes zijn mooi, maar worden nu niet echt als winkels gebruikt. De manier waarop je de horeca invult, heeft ook veel invloed op het publiek dat je aantrekt. Daarnaast zou het geweldig zijn als er een verbinding tussen de expositieruimte en de Schatkamer in de kelder zou kunnen komen door de vloer van de centrale hal open te breken. Instellingen als het Stadsarchief zouden goed kunnen aansluiten bij stadsbrede evenementen als het IDFA. En er kan meer gebeuren op het gebied van communicatie.’

Sinds vorig jaar zomer ben je directeur van de Stichting NDSM-werf. Wat staat je hier te doen?
‘Het is echt een belevenis om naar deze plek te komen. Er heerst op dit terrein een bijzondere makerscultuur en de schaal heeft enorme potentie, maar dat moet veel beter zichtbaar worden. De identiteit van het terrein kan worden versterkt en duidelijker worden neergezet. Halverwege de vorige eeuw was dit de grootste scheepswerf van Europa. Hier werden vrachtschepen en mammoettankers gebouwd. Toen de industrie de stad uit ging, kwamen de kunstenaars naar het terrein: decorbouwers, theatergezelschappen, kunstenaars, ontwerpers. Inmiddels zitten hier commerciële partijen als MTV en hotels. Je kunt zelfs in de oude scheepsbouwkraan overnachten. Tot 2023 heeft het gebied de status van evenemententerrein, maar wat gebeurt er daarna? De NDSM-werf is toe aan een belangrijke volgende stap.’

In Amsterdam-Noord wordt in hoog tempo gebouwd, de vierkantemeterprijzen stijgen snel. Is dat een bedreiging voor de werf?
‘De stad is steeds meer gespitst op wonen, dus dit terrein is voor projectontwikkelaars een interessant gebied. In het geval van Trouw was het geen probleem dat het een tijdelijke locatie was, dat had zelfs een meerwaarde, maar hier ligt dat totaal anders. Dit is een zeer belangrijke plek voor Amsterdam. Je raakt hier geïnspireerd. Hier is ruimte en vrijheid. Zo heb ik vroeger de hele binnenstad van Amsterdam ervaren. Het was een vrijplaats. De werf is de enige plek in de stad die dat voor mij nog waarborgt. Als we niet uitkijken, wordt het de binnentuin van de lucky few. Deze plek moet behouden blijven voor kunst en cultuur.’

Hoe ga je daarvoor zorgen? Wat zijn je plannen?
‘Wij willen de wereld – maar in elk geval Amsterdam – overtuigen van de unieke status van de werf als plek van blijvende tijdelijkheid en van creatief experiment. Wat ons betreft is het een onmisbare culturele vrijplaats, minstens zo centraal en iconisch als het museumplein. We zetten de komende jaren in op beeldbepalende projecten met internationale uitstraling. We gaan samenwerkingsverbanden aan met toonaangevende culturele partners om met hen een ambitieus, artistiek programma te realiseren. De NDSM-werf kan een bestemming worden voor andere partijen die hier werk kunnen laten zien waarvoor ze in hun eigen pand geen ruimte hebben. Kunstenaars kunnen hier op grote schaal kunst voor de openbare ruimte maken, musea kunnen werk uit hun depot tonen. De mogelijkheden zijn eindeloos op dit terrein. We zijn opnieuw met het Stedelijk Museum Amsterdam gaan praten en zij willen graag samenwerken. Palais de Tokyo is hier ook geweest en zij kregen bijna tranen in hun ogen.’

Het bestaansrecht van de werf moet bewezen en bevochten worden. Ligt daar een parallel met musea die door alle bezuinigingen gedwongen worden hetzelfde te doen?
‘Misschien wel. Musea zouden hun bestaansrecht anders kunnen definiëren; kijken naar wat ze zijn en wat hun waarde is. Ik heb met verschillende kunstinstituten samengewerkt en gemerkt dat grote musea met een eigen collectie, zoals Tate Modern en MoMA, soms enorm hiërarchische en dichtgetimmerde organisaties zijn. Het kan ingewikkeld zijn om daarmee samen te werken. Ze missen de snelheid om flexibel te zijn en deze tijd gaat juist over actualiteit en flexibiliteit.’

Palais de Tokyo is een voorbeeld van hoe het anders kan?
‘Een instituut als Palais de Tokyo is niet afgebakend. Het breekt muren af voor de kunst. Thomas Hirschhorn heeft daar ooit een stad gebouwd waar je ook echt kon werken met je laptop. Er brandde zelfs een vuurtje. Naar dat soort vrijheid ben ik altijd op zoek. Sommige musea hebben een sterke identiteit en hoeven niet te veranderen. Niet alles hoeft flexibel, maar musea voor moderne kunst moeten echt hun nek uitsteken, vind ik. Ken je Kara Walkers gigantisch grote Sugar Baby in een voormalige suikerfabriek in Brooklyn? Dat soort megalomane projecten mis ik in de Nederlandse kunstwereld. Projecten waarvoor mensen in het vliegtuig stappen om die te komen zien. In de loodsen van de NDSM-werf is ruimte voor grootse projecten. Deze plek kan echt een bestemming worden voor musea.’

Hoe financier je grote plannen in een tijd waarin gekort wordt op subsidies?
‘Iedereen heeft minder geld en minder mensen, dus dat is inderdaad een uitdaging. Ik heb ook geen poule van rijke Amsterdammers die mijn plannen sponsoren. Maar ik ben ervan overtuigd dat als je je ergens voor inzet en de juiste mensen opzoekt, de financiering uiteindelijk wel in orde komt. Als we met het Stedelijk samenwerken, hebben we toegang tot een sterke communicatiemolen en geweldige conservatoren. Wij hebben een bijzonder locatie. Samenwerken biedt heel veel mogelijkheden.’

Bekijk profiel:

Janine Driessen
Communicatie & Community

NDSM is dé creatieve hotspot van Amsterdam. Op de voormalige scheepswerf aan de noorderlijke IJ-oever groeit een ‘selfmade city’ met honderden kunstenaars, creatieve bedrijven, duurzame ondernemers, bijzondere woningen, innovatieve cultuur en media, verrassende horeca en vernieuwende events, op het land en op het water. NDSM is het nieuwe brandpunt voor creatieve stedelijke energie. NDSM-Selfmade City